Bouw en Uitvoering

Gehandicaptenzorg in transitie

TVB Zorg - Gehandicaptenzorg in transitie

Vereniging Gehandicaptenzorg Nederland als aandrijvende kracht

De Nederlandse zorg staat voor een omvangrijke operatie. De transitie. Het woord zoemt al geruime tijd rond in de care. Cliënten, zorgorganisaties en gemeenten zetten zich schrap. Zijn gemeenten voldoende voorbereid? Waar zitten nog knelpunten? tvb ZORG peilde de status bij de Vereniging Gehandicaptenzorg Nederland.

Langdurige zorg voor ouderen, chronisch zieken en gehandicapten wordt betaald uit de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). Om die zorg ook in de toekomst toegankelijk, goed en betaalbaar te houden, voert het kabinet de komende jaren hervormingen door. Vanaf 2015 wordt alleen de zwaarste, langdurige zorg nog vergoed uit de AWBZ. Lichtere zorg, dagbesteding, begeleiding en een deel van de persoonlijke verzorging worden overgeheveld van de AWBZ naar de Wmo. Gemeenten zijn dan verantwoordelijk voor de uitvoering ervan. Monique van der Meulen is projectleider Wmo bij de VGN. Als geen ander kent zij de ins en outs ten aanzien van de transitie.

Zorgakkoord

Een goed vertrekpunt voor een statusupdate van de -transitie is het recent gesloten Zorgakkoord. De VGN zocht hiervoor actief de samenwerking op met brancheverenigingen NZA, Actiz, NFU en GGZ Nederland. De vereniging stelde een position paper op met voor de gehandicaptenzorg belangrijke speerpunten. Dit position paper is in grote lijnen gevolgd in het Zorgakkoord. Een belangrijk punt in het akkoord is het behoud van ZZP VG 4 in de kern-AWBZ. Monique legt uit: ‘In het -oorspronkelijke Regeerakkoord stond dat deze groep in de nieuwe situatie extramurale zorg zou krijgen. In de praktijk gaat het bijvoorbeeld om volwassenen 
met de -verstandelijke vermogens van een kind van drie. Die zouden van een intramurale woonomgeving terechtkomen in de maatschappij, een omstandigheid waarop ze niet zijn voorbereid. Immers, een kind van drie kan ook niet zonder continue begeleiding en zorg. De grens ligt nu bij een ZZP VG3. Het lastige in de discussie is dat zo’n Zorgzwaartepakket impliceert dat de mensen die daar gebruik van maken allemaal hetzelfde zijn. Dat is niet zo. Sommigen van hen zouden het misschien best met voldoende zorg en ondersteuning redden in het gemeentelijk domein, maar anderen ook echt niet. Waar die grens precies komt te liggen, wordt op dit moment onderzocht. De staatssecretaris heeft overigens ons voorstel voor waar de grens ligt tussen wel of geen kern-AWBZ integraal overgenomen. Daar zijn we ook blij mee, net als met het behoud van dagbesteding.’

‘Als VGN vinden we het belangrijk dat bij de beoordeling wie wel of niet in de nieuwe kern-AWBZ terechtkomt, de zorgzwaarte centraal staat. En dus nietde plek waar iemand woont. Stel je een kind voor dat qua zorgzwaarte past in een intramurale omgeving, maar door de ouders graag, heel begrijpelijk, zo lang mogelijk thuis wordt -verzorgd. In de huidige situatie zouden deze kinderen vanuit de nieuwe Jeugdwet bij gemeenten moeten aankloppen. Met alle bezuinigingen en de individuele beleidsvrijheid van gemeenten is het maar de vraag of zij het totaalpakket aan zorg en ondersteuning dat die kinderen krijgen, willen continueren. Op het moment dat daar iets in verandert, is de kans groot dat ouders het niet meer vol kunnen houden en hun kind noodgedwongen veel eerder naar een instelling (want kern-AWBZ) moet verhuizen. Als alle zorg voor deze groep zware kinderen vanuit de kern-AWBZ wordt geboden, worden ze niet afhankelijk van gemeenten waarvan nog de vraag is of ze deze, vaak dure zorg, willen bieden. En kunnen ze, net als gewone kinderen, zo lang mogelijk thuis blijven wonen ’

Dat de AWBZ anders moet worden ingericht, staat voor de VGN vast. Het feit dat er bezuinigd moet worden, is een logisch gevolg van de AWBZ in de huidige vorm. Monique verklaart: ‘Het Zorgakkoord voorziet in zoverre aan onze behoeften dat wij als branche met succes mee hebben mogen praten over de invulling van die bezuinigingen. Dan nog blijven alle bezuinigingen ten opzichte van de huidige budgetten, zoals de 25 procent besparing in de Wmo, een majeure ingreep. Toch beschouwen wij de -transitierichting in potentie en op onderdelen positief. Wel resteren er wat ons betreft belangrijke uitvoeringsvragen ten aanzien van het tempo en de haalbaarheid ervan.’

Gemeentelijk perspectief

Voor de sector gehandicaptenzorg is de transitie van de langdurige zorg een ingrijpend proces. En dat geldt ook zeker voor gemeenten. Die vinden op 1 januari 2015 cliënten op hun stoep die een zo passend mogelijk zorgaanbod verwachten. Afgezien van het feit dat gemeenten (nog) niet de ervaring en expertise in huis hebben om deze -cliënten zo goed mogelijk op te vangen, is deze transitie niet de enige. Ook de jeugdzorg en de invoering van de wet Werken naar vermogen vallen over anderhalf jaar onder het takenpakket van gemeenten. Vanuit gemeentelijk perspectief een megaoperatie. Wat voor plek de gehandicaptenzorg inneemt in al die transities? Monique legt uit: ‘Onze sector vormt slechts een klein deel van de transitietaart. Onze cliënten zijn mensen met uiteen-lopende beperkingen, van jong tot oud en ook multimorbiditeit is geen onbekend verschijnsel in onze branche. Voor gemeenten betekent dit dat ze de ondersteuning voor relatief kleine groepen cliënten met zoveel verschillende soorten beperkingen, zo goed als op maat moeten aanbieden. Dat vergt nogal wat van het organisatorisch vermogen. Hierin ligt ook een taak van de zorgorganisaties om gemeenten zo veel mogelijk te ondersteunen.’

Vanuit het perspectief van de gehandicaptenzorg biedt het onderbrengen van de langdurige zorg in het sociale domein wel een interessant voordeel. Monique vertelt: ‘Wat onze cliënten typeert, is dat ze vaak levenslang en levensbreed onder de gehandicaptenzorg vallen. Daarbij is het niet uitzonderlijk dat ze in de nieuwe situatie te maken krijgen met meerdere loketten in de gemeente voor hun zorg en ondersteuningsvragen. Wij zien het liefst dat die schotten tussen bijvoorbeeld de Wmo, het passend onderwijs, de Participatiewet en de nieuwe Jeugd-wet vervallen en alles vanuit één sociaal domein bekeken en geregeld wordt. Eén loket betekent één aanspreekpunt voor de kwetsbare burger en het biedt gemeenten en aanbieders een belangrijk voordeel als het gaat om transparantie, regeldruk enzovoorts. Uiteindelijk zal dit een belangrijke meerwaarde zijn. Gelukkig zien we dat gemeenten hier ook al mee bezig zijn, maar voor het zover is, moet nog een flink aantal stappen genomen worden.’

Kern-AWBZ

Tot zover de overheveling van de ‘lichtere’ zorg naar de Wmo. Wat blijft er over van de kern-AWBZ? En wat wordt er verwacht van de zorgaanbieders op dit vlak? Monique: ‘Wat overblijft in de kern-AWBZ zijn cliënten die de zwaarste vorm van zorg nodig hebben, ook weer in verschillende gradaties uiteraard. We hebben het hier over de meest kwetsbare groep mensen die 24 uur per dag zorg behoeven. De huidige AWBZ is langzamerhand steeds meer opgetuigd met regels. Met de transitie zal een behoorlijk deel van de cliënten uit de AWBZ verdwijnen. Dit betekent dat er een kleinere groep overblijft met, zeker in de gehandicaptenzorg, een meer constante zorgvraag. Naar mijn idee biedt dit nieuwe kansen om de toe-komstige kern-AWBZ op een andere manier in te richten. 
Met een duidelijke toegangspoort, maar daarna meer -ruimte om zorg op maat te bieden voor de cliënten die de rest van hun leven zijn aangewezen op die zorg. 
Hoe minder regels, hoe beter.’

Monique vervolgt: ‘Cliënten met een ernstiger beperking krijgen de zorg die ze zo hard nodig hebben. Mensen met een ‘lichtere’ beperking zullen in belangrijkere mate onderdeel worden van de maatschappij, waarbij ze meer in hun eigen kracht gezet worden. Wij geloven dat daarin echt nog stappen gezet kunnen worden. Voor sommige burgers met een beperking zal die stap groter zijn dan voor anderen. Maar de nieuwe Wmo biedt ook een prikkel om als zorgaanbieder kritisch naar je huidige aanbod te kijken en (samen met gemeenten) kwetsbare burgers nog meer vraaggericht te ondersteunen. Als die hierdoor meer onderdeel worden van de samenleving, is de Wmo wat de VGN betreft een succes. Mensen met een beperking hebben namelijk veel mogelijkheden waarmee ze ook echt een bijdrage kunnen leveren aan de samenleving. Ieder op hun eigen manier. Voorwaarde daarbij is dat gemeenten deze groep goed in beeld heeft en nieuwe cliënten tijdig gesignaleerd worden. Ook in deze signalering kunnen zorgprofessionals een waardevolle -ondersteuning bieden.’

Brugfunctie

Zorgorganisaties zijn zich er van bewust dat het anders moet. Alleen al de beschikbare budgetten bieden niet voldoende ruimte voor een werkwijze zoals ze die gewend zijn. Niet alleen de eigen, interne aanpak, maar ook het ondersteunen van gemeenten in termen van expertise en ervaring zal een doorslaggevende rol spelen in het transitieproces. Monique: ‘Hierin zien wij voor de VGN een belangrijke rol weggelegd. Natuurlijk, wij vertegenwoordigen 165 zorgaanbieders, maar wij realiseren ons terdege dat we er niet komen als we als branche naar binnen gekeerd acteren. Om de transitie tot een succes te maken, zullen we de samenwerking met gemeenten op moeten zoeken. Als vereniging hebben we een brugfunctie. Mooi voorbeeld is Wmo inzicht, een e-zine waarin we gemeenten kennis laten maken met hun nieuwe cliëntenpopulatie. En onze aanbieders met de wereld die Wmo heet. Wij merken dat hier zowel vanuit gemeenten als zorgaanbieders veel belangstelling voor is .’

Ondanks het harde werk bij zowel gemeenten als -zorgaanbieders, ziet de VGN nog wel wat cruciale -factoren die ingevuld moeten worden voor een succesvolle transitie. Monique: ‘Zoals gezegd baren het tempo en de haalbaarheid ons zorgen. Maar voor wat betreft de zaken die wel te sturen zijn, zijn er drie kritische factoren. Allereerst zullen de verwachtingen van mensen actief gemanaged moeten worden. Hierin is een taak voor de overheid weggelegd. Aan burgers zal uitgelegd moeten worden dat ze waar mogelijk meer de regie in eigen hand moeten nemen en dat ze, samen met hun omgeving, meer zelf zullen moeten bijdragen. Verder is de transitie mensenwerk. Het resultaat zal afhangen van de persoonlijke inzet van sleutelfiguren op cruciale posities en van kwalitatieve samenwerkingsverbanden tussen aanbieders en de lokale overheid. Dat zie je nu ook al gebeuren. Sommige gemeenten zijn al behoorlijk ver, zoals -Rotterdam, Arnhem, Almere en Utrecht. Hier draaien zelfs al pilots. Andere gemeenten kijken meer de kat uit de boom en zijn met name nog bezig met visievorming. De laatste kritische factor is het voorzien in een vangnet. Want ondanks alle inspanningen zullen er toch zaken misgaan, zeker in het begin. Om te voorkomen dat een kwetsbare groep cliënten tussen wal en schip belandt, zal de landelijke overheid moeten voorzien in een -duidelijke vangnetstructuur en noodmaatregelen die een oplossing kunnen bieden in geval van eventuele ‘incidenten’. Als al deze voorwaarden goed en zorgvuldig zijn ingevuld, dan zien wij de streefdatum van 1 januari 2015 met vertrouwen tegemoet.’