Bouw en Uitvoering

Positief zorgonderwijs noopt tot bijstelling beeldvorming

Zorgonderwijs

Nooit concessies aan de eisen van diplomering

Onderwijskwaliteit afleveren onder de slag-schaduw van personeelstekort. Dat vraagt om kundig -manoeuvreren. Toch kan het. Een echte educatiekenner spreekt over trends en taal, en geeft en passant bestuurlijke tips.

Door: Dirk Rodenburg

Zorgonderwijs is er in soorten en maten. Als de beroepsvereniging van plastisch chirurgen teleurgesteld aangeeft dat er van de gewenste twintig opleidingsplaatsen door de overheid maar tien gehonoreerd worden, zegt dat wel iets, maar tegelijkertijd nog weinig over het hele onderwijs. Daarvoor is het nodig te kijken naar de breedheid die beroepsgroepen als verzorgenden en verpleegkundigen bieden, met duizenden vertegenwoordigers in het veld. Hoe staat het er voor? tvb ZORG vroeg het een echte in de meest respectvolle betekenis – crack uit het vak. Ad de Jongh is adjunct-directeur Beleid en Onderwijs van Opleidingscentrum Gezondheidszorg, Laboratoriumtechniek en Optiek van Zadkine in Rotterdam, en staat bekend als gelouterd onderwijsdeskundige.

Jaren geleden constateerde De Jongh al dat er in toenemende mate sprake hoorde te zijn van maatwerkopleidingen, waarbij onderwijsinstellingen en arbeidsorganisaties samen leervarianten componeren. Onderwijs dat vraaggestuurd dient te werken en dat het als opleidingsinstelling met name moet hebben van ‘warme contacten’ in het eigen netwerk. Hij was onder meer directeur van een opleidingschool voor inservice-onderwijs en kijkt op z’n tijd met een contemplatief oog naar alle ontwikkelingen, om vervolgens interessante publicaties het licht te laten zien. Altijd met een positieve benadering, en uiterst concreet. Een voorbeeld is ‘Wie zorgt er straks voor mij? Portretten van verzorgenden’ (samen met Hans Hoogerheide, 2008); een uitgave die klinkt als een hartenkreet, en die duidelijk maakt waar het in de zorg om zou moeten gaan – zaken als toewijding en barmhartigheid, om ontmoetingen tussen mensen. Maar de werkelijkheid is vaak weerbarstig, zeker op managementniveau. De ingewikkelde mix van onder druk staande kwaliteit, mediaoptiek en personeelstekort slaat direct terug op de afschildering van het onderwijs. Niet altijd terecht, blijkens de Onderwijsraad die eigenlijk vol lof is over het mbo.

Onorthodox

Als we Ad de Jongh spreken, is er juist het nieuws verschenen dat er in 2025 een tekort dreigt van 450.000 zorgmedewerkers. Vooral aan hbo- en mbo-verpleegkundigen zal gebrek zijn. Het Zorginnovatieplatform, een breed samengestelde groep van deskundigen, heeft in opdracht van minister Klink plannen uitgedacht om het tekort zoveel mogelijk op te vangen, en luidt de noodklok. De overheid zal meer moeten investeren in het personeelsbeleid van de zorg, los van de reguliere inspanningen die al worden gedaan, en zorgmedewerkers zouden betere mogelijkheden moeten krijgen om hun werktijden aan te passen aan de schooltijden van de kinderen, naast meer carrière- en scholingskansen. Een deel van de sleutel ligt bovendien in meer creativiteit vanuit de instellingen zelf om nieuw personeel aan te trekken, aldus de onderzoekers. Het zijn geen nieuwe geluiden, zeker niet, maar niet eerder sprak er zo’n coherentie en hoop uit op synergetisch effect, zo lijkt het.

‘Tja, als dat waar is – het cijfer lijkt me nogal grotesk -‘, begint De Jongh, ‘dan is het duidelijk dat we enkel met onorthodox optreden iets bereiken. Met maatregelen als functiedifferentiatie en doorscholen zullen we weinig genereren. Eerlijk gezegd ben ik echt huiverig dat zo’n dreigend tekort niet kan worden opgelost. Natuurlijk wordt met zo’n perspectief alles uit de kast getrokken. Maar ik vraag me af of directies en raden van bestuur van zorginstellingen wel werkelijk een adequaat beeld hebben van wat hen te wachten staat. Hoe dat is gekomen? Hierover kun je van alles zeggen. Mogelijk ook dat er een te groot gat is ontstaan tussen zorgorganisaties en onderwijs. Van oorsprong zorgde de gezondheidszorg voor de eigen werving én opleiding van het personeel. De verantwoordelijkheid, ook voor de financiering, lag daarbij bij de arbeidsorganisaties. De begroting bood hen daartoe vaak voldoende mogelijkheden. Het opleidingsbudget is nu overgeheveld naar OCW. Daarmee is ook de bemoeienis met het eigen personeel weggehaald. Daar is voor gewaarschuwd. Directies hadden geen inmenging meer, en gingen vervolgens achterover leunen. Dat met de afschaffing van het inservice-onderwijs dat welbeschouwd een vreemde eend in de onderwijsbijt was; onderwijs dient nu eenmaal georkestreerd te worden vanuit de overheid, niet vanuit de instellingen – óók de invloed van directies terugliep op het onderwijs, lijkt minder gelukkig. In die zin pleit ik dan ook voor een herwinning van die invloed.’

Taal en jongeren

Waar De Jongh minder over te spreken is, is soms de houding van een bepaald zorgkader dat zich enkel spiegelt aan het bedrijfsleven, en het maken van ‘winst’ boven de kwaliteit van zorg stelt. Daar draait het toch werkelijk niet om in de zorg, een sector die toch al vaak te maken heeft met een precaire beeldvorming, weet ook het onderwijs.

‘Over de kwaliteit van het huidige zorgonderwijs’, vervolgt De Jongh, ‘is veel te doen. Maar als ik deze vergelijk met het niveau van bijvoorbeeld vijf jaar geleden, dan durf ik zonder meer te stellen dat het huidige peil niet lager is. Dat is de waarneming vanuit Zadkine. De in 1997 geformuleerde kwalificatiestructuur en eindtermen zijn tot op heden nog steeds leidend voor de beroepsbeoefenaar. En waar ik binnen het onderwijs nooit concessies aan zal doen, is aan het verlagen van de eisen van diplomering. Voor de kwaliteit van de mensen die ik aflever, sta ik volledig in. Maar het zijn wel anders-opgeleiden, zeg ik erbij. De verpleegkundige van nu is anders inzetbaar, algemener en breder, en heeft een langere inwerkperiode nodig. De geluiden uit het veld beamen dat. Ook is er op onderdelen een niveauverlaging gekomen. Zo is er minder parate kennis op het gebied van anatomie en pathologie; in de kwalificatiestructuur zijn die twee zaken in vergelijking met de oude A-opleiding ook verlaagd. Maar die eisen waren misschien ook wel te hoog. Verder is het niveau van taal en rekenen beslist verminderd. Zowel het rapport van de Commissie-Meijerink, als het Onderwijsverslag 2006/2007 (onderwijsinspectie) en het PPON (periodieke peiling van het onderwijsniveau) bevestigen een zekere neerwaartse trend als het gaat om de beheersing van het Nederlands. Maar onder politieke druk zijn de stappen tot verbetering inmiddels wel gezet gelukkig. Echte beslissingen ook, zoals een op handen staande wettelijke normering bijvoorbeeld. Taal doet het relatief slecht bij zorgleerlingen in het primair onderwijs. Maar als bepaalde investeringen worden getroost (zie kader, red.) zijn er geen blauwdrukken of deltaplannen nodig voor het taal- en rekenonderwijs. En aan de andere kant moeten we het ook niet dramatischer maken dan het is. Het is hier net als bij voetbal: iedereen heeft er een mening over. Samen met een aantal mensen heb ik me vreselijk gestoord aan de hele discussie rond jongeren en taal. Dit resulteerde in een publicatie met onderwijskundige Cees Dietvorst, waarin we vooral ook de stem van de jongeren wilden laten doorklinken. De huidige jeugd communiceert geweldig veel. Kijk maar op straat. Iedereen loopt met een mobiele telefoon en draagt boodschappen uit. Met andere woorden: de communicatiemiddelen zijn anders; er worden geen brieven meer geschreven, maar er wordt wel gechat, getwittert et cetera. En ter geruststelling, jongeren onderschrijven in grote mate het belang van een goede taalbeheersing en rekenvaardigheid. En ze willen best erkennen, dat ze de formele aspecten van taal en rekenen moeten leren. Maar helaas horen die domeinen bij de formele burgerlijke cultuur en daar wil de jongere niet zo maar zonder verzet in stappen.’

Oneigenlijke bijbaan

‘Ten slotte’, vertelt De Jongh, ’wil ik een accolade maken tussen management, onderwijs en jongeren. Absoluut gemeten kalft de omvang van de jongerenpopulatie af, dat is bekend. Rotterdam vormt hierop een positieve uitzondering. Maar landelijk gezien krijgen we minder jongeren. Alle beroepen vissen in dezelfde vijver, die dus steeds kleiner wordt. En wat me opvalt aan de leerlingen hier is dat ze allemaal bijbanen hebben. Niets mis mee. Maar als je kijkt waar ze die bijbanen hebben, dan is dat buiten de zorg, in sectoren als het supermarktwezen en de horeca. Je zou ook kunnen zeggen dat leerlingen die in hun eigen tijd in een organisatie nog een klus willen doen, gegrepen moeten worden en gehonoreerd zouden kunnen worden met individuele maattrajecten en vrijstellingen. Het mes snijdt dan aan verschillende kanten. Als je dan toch min of meer rigoureuze maatregelen inzet, zou je dit heel goed kunnen doen. Instellingen, huizen, zouden hier beter op moeten inspringen.’

Het versterken van het gevoel van urgentie bij leerlingen. Op door volwassenen uitgedragen urgentie reageren pubers op z’n minst terughoudend. Dus is het zaak om derden – buiten het onderwijs – en vooral geen bobo’s in te schakelen. Maar wel iconen uit de jeugdwereld (rappers, dj’s, GTST-acteurs et cetera). Zeer veel investeren in een gedegen lerarenopleiding. En wel op een zodanige manier dat het een uitstraling krijgt als bijvoorbeeld MBA. De lerarenopleiding moet sexy worden.
Is het huidige onderwijssysteem – dat al ruim tweehonderd jaar bestaat – nog wel op de maat van een individualiserende en mondialiserende samenleving gesneden? Komen in het vigerende onderwijssysteem alle leerlingen optimaal aan hun trekken? Nee! Er is dus een ander systeem noodzakelijk. (Uit: ‘Taal en rekenen; geen probleem?’, door Cees Dietvorst en Ad de Jongh. Biezenmortel: MesoConsult, 2009).
Drs. Ad de Jongh is adjunct-directeur Beleid en Onderwijs bij Zadkine in Rotterdam. Hij heeft diverse publicaties op zijn naam staan, onder andere ‘Probleemgestuurd onderwijs in zorg- en welzijnsopleidingen’ (Studiereeks nr. 26) en ‘Betje Wolff en Aagje Deken; van Proeve over de opvoeding naar opvoeden in de eenentwintigste eeuw’ (AO 2833).