Bouw en Uitvoering

Wet Maatschappelijke Onderneming onder vuur

Wet Maatschappelijke Onderneming

Wet sluit niet aan op de praktijk

Sommige wetten zijn al omstreden als ze het stadium van wetsvoorstel nog niet eens zijn ontgroeid. Het Wetsvoorstel Maatschappelijke Onderneming (WMO) is daar een treffend voorbeeld van. Volgens critici beperkt de wet de autonomie van maatschappelijke ondernemingen en sluit hij slecht aan op de praktijk. Een analyse.

Door: Pieter Smittenaar

Het kabinet heeft in juli 2009 een ‘Wijziging van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek houdende regels voor de vereniging of stichting tot instandhouding van een maatschappelijke onderneming ingediend’. Dit wetsvoorstel moet worden gezien als een antwoord op ontwikkelingen in de semipublieke sector, waar de maatschappelijke ondernemingen actief zijn. Het zijn organisaties die opereren op het snijvlak van het publieke en maatschappelijke belang, zoals zorginstellingen, onderwijsinstellingen en woningcorporaties. Deze instellingen hebben zich de afgelopen decennia ontwikkeld van kleine, door vrijwilligers bestuurde organisaties tot de grootschalige, -professioneel geleide organisaties die we nu kennen. Volgens het kabinet zijn de instellingen uit hun vennootschapsrechtelijke jasje gegroeid. Omdat de diensten die verleend worden sociaalgrondrechtelijk van aard zijn en van groot belang worden geacht, wil het kabinet de juiste juridische voorzieningen bieden. De vorm waarin dit gebeurt, is de introductie van een modaliteit van de stichting en de vereniging. Een hele mond vol. Het komt erop neer dat het kabinet alle zorginstellingen een (zelfde) nieuwe juridische jas wil geven.

Schaalvergroting en financiële groei

Het kabinet vindt dat de structuur van instellingen uit de semipublieke sector geen gelijke tred heeft gehouden met ontwikkelingen in diverse sectoren, zoals schaalvergroting, financiële groei en hogere eisen aan de kwaliteit van de dienstverlening. Van bescheiden organisaties met veel vrijwilligers zijn de instellingen veranderd in immense ondernemingen, waarin bijzonder veel geld omgaat en waaraan hoge eisen worden gesteld. Het kabinet vindt de huidige juridische voorzieningen ontoereikend. -Letterlijk stelt zij: ‘De huidige zorginstellingen missen de winstprikkel als kwaliteitsindicator en de dwingend voorgeschreven structuur voor intern toezicht, medezeggenschap van belanghebbenden en financiële verantwoording. Ook wettelijke garanties voor geschillenbeslechting en controle op de commissarissen ontbreken.’ Het kabinet rekent erop dat de nieuwe wet voorziet in een structuur waarin die garanties wel worden gegeven.

Een opmerkelijke interventie

Of het ooit zover zal komen, is de vraag. Het wetsvoorstel is niet alleen voer voor kritische politici, bestuurders en zorgverleners. Ook juristen hebben de messen geslepen, met als aanvoerder mr. Ruud Crijns Msc. (zie ook kader). Hij verwoordt zijn bezwaren in een bijna honderd pagina’s tellende afstudeerscriptie aan de Radboud Universiteit Nijmegen ‘Het wetsvoorstel maatschappelijke onderneming: Een opmerkelijke interventie in het vennootschapsrecht’. Opvallend daarbij is dat zijn belangrijkste bezwaar tegen het voorstel niet eens van juridische aard is. Crijns vraagt zich namelijk af welk concreet probleem er nou eigenlijk ten grondslag ligt aan de introductie van het wetsvoorstel. Vervolgens fileert hij in acht hoofdstukken en een bijlage op instrumenteel niveau de keuze om te interveniëren via een generieke regeling.

Governance codes

De huidige juridische voorzieningen zijn veelal vastgelegd in governance codes. Crijns vergelijkt het voorstel daarom met zeven codes van onderwijsinstellingen, zorginstellingen en woningbouwcorporaties. Hij concludeert dat het wetsvoorstel op diverse punten afwijkt van die codes, met name waar het de belanghebbendenvertegenwoordiging (BHV) betreft. De regulering van de relatie met belanghebbenden in de samenleving wordt in alle governance codes vormvrij gelaten. Het wetsvoorstel bevat daarentegen een verplichting tot de instelling van een belanghebbendenvertegenwoordiging met verregaande bevoegdheden. Zo mogen belanghebbenden meepraten over de strategie van de organisatie, hebben ze een adviesrecht over statutenwijzigingen en beschikken ze zelfs over het recht van enquête. Het meest in het oog springende verschil is dat externen bij de rechter, dus buiten de wil van het bestuur om, de status van belanghebbende kunnen afdwingen waardoor zij over een compleet instrumentarium aan bevoegdheden kunnen beschikken. Ook kunnen belanghebbenden, als zij naar hun mening onvoldoende bij de gang van zaken worden betrokken, via de rechter afdwingen mee te mogen praten.

Keurslijf

Niet alleen ten aanzien van belanghebbenden worden maatschappelijke ondernemingen in een keurslijf gedwongen. Het wetsvoorstel bevat ook andere dwingendrechtelijke bepalingen, bijvoorbeeld ten aanzien van de beslechting van geschillen en het ontslag van commissarissen. Crijns stelt vast dat het wetsvoorstel alleen maar meer regels oplegt. Dit is opmerkelijk, aangezien het deel uitmaakt van een dereguleringsprogramma. Ook meent hij dat het wetsvoorstel onduidelijkheden creëert en op punten onvoldoende doordacht is. Zo mogen maatschappelijke ondernemingen zelf uitzoeken hoe de verregaande bevoegdheden van de belang hebben den vertegenwoordiging zich verhouden tot de bevoegdheden van andere inspraakorganen, zoals ondernemingsraden, cliëntenraden en huurdersraden. Crijns vraagt zich af in hoeverre de slagvaardigheid van organisaties gebaat is bij een kluwen van inspraakorganen. Hij meent dat er nog eens goed nagedacht moet worden over deze ingreep in het vennootschapsrecht en beschouwt het wetsvoorstel als een stap in de verkeerde richting. De ruimte voor maatschappelijke instellingen om te ondernemen wordt er in de ogen van de jurist met dit wetsvoorstel niet groter op.

Geen meerwaarde

Crijns staat niet alleen in zijn scepsis over het wetsvoorstel. Ook de BoZ (Brancheorganisaties Zorg) vindt dat het kabinet de plank misslaat en heeft de politiek al opgeroepen het voorstel af te wijzen. Net als Crijns vindt de BoZ dat de nieuwe wet absoluut geen meerwaarde biedt. Ook is de branchevereniging evenzo doortastend als stellig in de rest van zijn bezwaren. Volgens de branchevereniging creëert het voorstel juist nieuwe problemen in de besturing van zorgorganisaties. De BoZ-leden Actiz, GGZ Nederland, NFU, NVZ en VGN uitten hun zorgen in een brief aan de Vaste Kamercommissie voor Justitie aan de Tweede Kamer: ‘Als het wetsvoorstel toch doorgang vindt, wil de zorgsector dat daarin wordt opgenomen dat deze rechtsvorm niet dwingend aan zorginstellingen kan worden opgelegd. Het introduceren van de rechtsvorm maatschappelijke onderneming in het BW is ondoelmatig. Ook de Raad van State denkt er zo over. Het voorstel biedt geen vorm die zorginstellingen in staat stelt om de relaties met de omgeving verder te professionaliseren en relaties met andere organisaties aan te gaan. Kortom: de meerwaarde ontbreekt.’

Besturingsproblemen

BoZ voorziet met het wetsvoorstel besturingsproblemen voor zorgorganisaties. ‘Het wetsvoorstel legt meer regels op, terwijl het kabinet juist de bureaucratie wilde terugdringen. Ook het doel houdbare financiering van de zorg wordt onmogelijk gemaakt met het wetsvoorstel. De mogelijkheid tot de inbreng van privaat kapitaal is ontoereikend in het voorstel. Aandeelhouders en dividenduitkeringen in delen van de zorgsector die zich daartoe lenen, zijn noodzakelijk om goede zorg in de toekomst betaalbaar te houden’, aldus de BoZ.

Weer die BHV

Net als Crijns is ook de BoZ uitgesproken kritisch over de belanghebbendenvertegenwoordiging (BHV). De afnemende bestuurbaarheid is in hun ogen een rechtstreeks gevolg van de introductie van de BHV. ‘De problemen met de BHV ontstaan door de institutionalisering ervan, door de verregaande bevoegdheden en door de samenloop met bestaande medezeggenschapsregelingen. Het wetsvoorstel bevat een dwingendrechtelijke verplichting tot instelling van een BHV, die daarbij over tal van bevoegdheden beschikt. Voor alle organisaties geldt dezelfde vorm. Het feit dat externen zich buiten de wil van het bestuur om tot belanghebbenden kunnen laten kronen, ervaren wij als een wezenlijke aantasting van de verantwoordelijkheden van het ondernemingsbestuur. We stellen daarom voor te regelen dat bij de invulling van de betrokkenheid van belanghebbenden, de vorm wordt vrijgelaten. Bovendien raden wij aan om de verantwoordelijkheid voor een adequate betrokkenheid van belanghebbenden daar te houden waar deze behoort: bij het ondernemingsbestuur.’

Notendop

Geen aanleiding en veel verkeerde keuzes. Dat is de Wet Maatschappelijke Onderneming in een notendop. Een wetsvoorstel dat in zo’n vroeg stadium al zo veel kritiek krijgt en ook nog eens uit zo veel verschillende hoeken. Je kunt je afvragen welke toekomst zo’n voorstel tegemoet gaat. Wordt vervolgd.

Mr. R. Crijns MSc. is verbonden aan de adviesgroep Bestuurlijk Juridisch Organiseren van Berenschot.

Ruud Crijns, student aan de Radboud Universiteit Nijmegen, is eind vorig jaar uitgeroepen tot winnaar van de Scriptieprijs 2009 die adviesbureau Berenschot uitreikt aan de meest opmerkelijke scriptie van het jaar. Aan de prijs is een geldbedrag van 1500 euro verbonden. Een jury onder leiding van prof. dr. T.W.A Camps, directievoorzitter van Berenschot, beoordeelde alle inzendingen op innovativiteit, aanwezigheid van een opmerkelijk inzicht en de praktische toepasbaarheid in het adviesvak. Na een presentatie van tien genomineerden bleek de scriptie van Ruud Crijns ‘Het wetsvoorstel de maatschappelijke onderneming, een opmerkelijke interventie in het vennootschapsrecht’ het best te voldoen aan de criteria. Ook stelde de jury dat overtuigend is aangetoond dat het wetsvoorstel niet tot minder, maar juist tot meer regulering leidt. De tweede prijs (500 euro) ging naar Sander Jansen van Universiteit Utrecht met een scriptie over ‘Explaining Location Choice’. Hij laat zien dat de besluitvorming in bedrijven vaak lang niet zo rationeel is als we mogen verwachten. Om in aanmerking te komen voor de Scriptieprijs, moest de masterscriptie minimaal met een 8 zijn beoordeeld en in 2009 zijn afgerond. De Scriptieprijs, waarbij de focus ligt op studenten bedrijfskunde, bestuurskunde en psychologie, is een initiatief van de Stichting Berenschot Fundatie, die Berenschot-consultants stimuleert hun kennis van het vakgebied te verdiepen en inzichten en methoden te vernieuwen om het instrumentarium van de Berenschot up-to-date te houden. De Fundatie biedt financiële ondersteuning en inhoudelijke begeleiding van onderzoeksprojecten.