Huisartsen, medisch specialisten en wetenschappers uiten scherpe kritiek op het plan van zorgminister Sophie Hermans om de financiering van de longcovid-expertisecentra sterk terug te brengen en een groot deel van de zorg voor patiënten met long covid en aanverwante post-acute infectieuze syndromen (PAIS) terug te leggen bij de reguliere huisartsenzorg. Het veld noemt de stap voorbarig omdat het wetenschappelijk bewijs en klinische richtlijnen nog onvoldoende ontwikkeld zijn.
Waarom het zorgveld bezorgd is
Twee jaar geleden maakte het kabinet een investering van € 27 miljoen mogelijk voor de oprichting van expertisecentra in academische ziekenhuizen. Die centra zijn volgens betrokkenen niet primair bedoeld om alle patiënten te behandelen, maar om experimentele interventies te evalueren en bewijs op te bouwen op basis waarvan richtlijnen kunnen ontstaan. Nu wil de minister het gezamenlijke budget voor de acht centra terugbrengen naar jaarlijks € 1 miljoen, en daarmee de nadruk opnieuw leggen op behandeling in de reguliere zorg.
“Dat risico loop je als de meeste zorgverleners nog weinig zorg kunnen bieden”, zei Hedwig Vos, huisarts, hoogleraar huisartsengeneeskunde en bestuurslid van het Universitair Netwerk Huisartsengeneeskunde
De kritiek richt zich op twee samenhangende punten: de stand van de wetenschap en de praktische uitvoerbaarheid in de eerstelijnszorg. Volgens artsen verkeert onderzoek naar PAIS nog in een prille fase; er ontbreken robuuste medische richtlijnen waarop huisartsen verantwoord zorg kunnen baseren. Tegelijk vreest het veld dat ongelijkmatige verspreiding van kennis tussen individuele huisartsen zal leiden tot zorgongelijkheid en beschadiging van het patiëntvertrouwen.
Wat dit praktisch betekent voor huisartsen en patiënten
- Huisartsen krijgen meer zorgverantwoordelijkheid voor een complexe, nog onduidelijke patiëntgroep zonder eenduidige richtlijnen.
- Variatie in kennis en behandelaanbod kan leiden tot constructies van regionale ongelijkheid en wantrouwen bij patiënten.
- Expertisecentra zouden juist moeten bijdragen aan het opbouwen van bewijs en het opstellen van richtlijnen voordat brede transitie naar de eerstelijnszorg plaatsvindt.
In een brief aan de minister waarschuwen vier grote belangenorganisaties namens huisartsen expliciet dat de voorgestelde stap huisartsen confronteert met patiëntverwachtingen die niet aansluiten bij wat verantwoord kan worden aangeboden op basis van de beschikbare kennis en professionele standaarden.
| organisatie | maatregel | bedrag | groep |
|---|---|---|---|
| kabinet (initieel) | investering expertisecentra | € 27 miljoen | academische ziekenhuizen / expertisecentra |
| minister Sophie Hermans | voorgestelde budgetreductie | € 1 miljoen (jaarlijks, gezamenlijk) | acht expertisecentra |
De betrokken centra houden zich diplomatiek op de vlakte over de exacte gevolgen voor hun werkzaamheden. Artsen wijzen er echter op dat de centra bedoeld waren om, via gerichte onderzoeken en gecontroleerde behandelprogramma's, bewijs te verzamelen dat later breed toepasbaar zou zijn in de eerstelijnszorg.
Politieke en organisatorische consequenties
Als de bezuiniging doorgaat en de huisartsenzorg zonder aanvullende richtlijnen en scholing een groot deel van de zorg op zich moet nemen, ontstaan meerdere operationele vragen: welke scholing en ondersteuning krijgen huisartsen, wie financiert aanvullende consulttijd of multidisciplinaire inzet, en hoe worden verwijspaden en samenwerking met second opinion-centra georganiseerd? Ook is onduidelijk hoe inspectie en kwaliteitstoezicht aan deze nieuwe taakinhoud worden aangepast.
Het debat over de financiering en organisatie van zorg voor longcovid-patiënten illustreert de spanning tussen snelle decentralisatie van zorgtaken en de noodzaak van eerst solide wetenschappelijke onderbouwing en richtlijnen. Voor huisartsen en zorgmanagers staat veel op het spel: het vertrouwen van patiënten, de beheersbaarheid van de werkdruk en de kwaliteit van de zorgverlening.