Een budgethouder mag met een persoonsgebonden budget (pgb) een zelfstandige zonder personeel inhuren. Daarvoor moet de arbeidsrelatie wel “goed vormgegeven” zijn. Dat schrijft minister Thierry Aartsen (Werk en Participatie) in een Kamerbrief van 27 oktober. Het kabinet geeft geen aanvullende voorbeeldcasussen over de vraag wanneer sprake is van schijnzelfstandigheid.
Budgethouders die onzeker zijn over de inrichting van een overeenkomst, kunnen advies vragen aan de Sociale Verzekeringsbank (SVB). De SVB beheert het pgb. Daarmee ligt de praktische ondersteuning bij een uitvoeringsorganisatie, terwijl de particuliere budgethouder zelf opdrachtgever blijft van de zorgverlener.
Particuliere opdrachtgever zonder personeelsafdeling
De positie van een pgb-houder wijkt af van die van een zorginstelling. Een cliënt of vertegenwoordiger die zorg inkoopt, beschikt doorgaans niet over een personeelsafdeling of juridisch adviseur. Toch moet die opdrachtgever onderscheid maken tussen verschillende contractvormen en rekening houden met de regels rond zelfstandigheid.
Minister Aartsen deed de toezegging voor de Kamerbrief op 24 juni aan Kamerlid André Flach (SGP), tijdens een commissiedebat over arbeidsmarktbeleid. Flach had daarbij aandacht gevraagd voor de positie van pgb-houders. De door Kamerleden gevraagde praktijkvoorbeelden komen er niet. De brief verwijst budgethouders in plaats daarvan naar de SVB voor advies.
Overeenkomst van opdracht brengt risico met zich mee
Een budgethouder kan zorg inkopen bij een zorginstelling, via een arbeidsovereenkomst of via een overeenkomst van opdracht. Die mogelijkheden werden in juli 2025 al uiteengezet door toenmalig minister Eddy van Hijum (Sociale Zaken en Werkgelegenheid). Alleen bij een overeenkomst van opdracht speelt volgens de Kamerbrief het risico op schijnzelfstandigheid.
Dat risico heeft extra betekenis sinds het einde van het handhavingsmoratorium. Voor zorgverleners die als zelfstandige werken, is het pgb daardoor een route geworden naar particuliere opdrachtgevers. ZiPconomy beschreef eerder het voorbeeld van een verzorgende die opdrachten bij verpleeghuizen verloor en vervolgens cliënten met een pgb ging bedienen.
Meeste overeenkomsten niet met een zzp’er
De cijfers in de Kamerbrief laten zien dat overeenkomsten met zelfstandigen een minderheid vormen binnen de pgb-zorg. In 2023 waren er volgens cijfers van het CBS in totaal 277.970 zorgovereenkomsten onder de Jeugdwet, de Wet langdurige zorg (Wlz) en de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Daarvan waren er 17.140 gesloten met een zzp’er.
| Type zorgovereenkomst | Aantal in 2023 | Aandeel |
|---|---|---|
| Alle overeenkomsten onder Jeugdwet, Wlz en Wmo | 277.970 | 100 procent |
| Overeenkomst met een zzp’er | 17.140 | 6,2 procent |
“mits goed vormgegeven” — minister Thierry Aartsen (Werk en Participatie) in de Kamerbrief van 27 oktober
De Kamerbrief gaat daarmee uit van ruimte voor het inhuren van zelfstandigen, maar koppelt die ruimte aan de manier waarop de arbeidsrelatie is vastgelegd en georganiseerd. De extra voorbeeldcasussen waar Kamerleden om hadden gevraagd, worden niet opgesteld. Voor budgethouders die de gekozen constructie willen toetsen, blijft verwijzing naar de SVB over.
- Een pgb-houder mag een zzp’er inhuren als de overeenkomst goed is ingericht.
- Alleen bij een overeenkomst van opdracht speelt het risico op schijnzelfstandigheid.
- In 2023 betrof 6,2 procent van de 277.970 pgb-zorgovereenkomsten een zzp’er.